11

 

 

 

 

Na de eerste blik op Grace voor het station in Kimmerston had ze geweten dat ze niet met haar zou kunnen opschieten. Die broodmagere trut had iets over zich wat haar tegen de borst stuitte. Iets in de manier waarop ze daar zat, recht voor zich uit starend alsof niets in de wereld haar belangstelling waard was, alsof zij de enige was die er iets toe deed. Het was eigenlijk helemaal niet de bedoeling geweest dat Anne als taxi zou fungeren. Peter had haar zullen ophalen, maar hij had haar op het laatste moment gebeld en al zijn charme in de strijd geworpen, waarmee hij, volgens de praatjes die de ronde deden, Rachael de ijskoningin had ontdooid, maar die op haar zijn uitwerking miste.

‘Nou,’ had ze gezegd, ‘dat ligt niet direct op mijn route.’ Want ze woonde in Langholme, het dorp dat het dichtst bij het gebied lag waar het project zou worden uitgevoerd, en Kimmerston lag vijfenveertig kilometer daarvandaan.

‘Alsjeblieft, Anne. Dat wil je toch wel even doen?’

‘Als ik de benzinekosten mag declareren,’

Eigenlijk vond ze dat ze niet kon weigeren. Niet op dat moment.

Ze had zich niet bijzonder gehaast en was tien minuten te laat bij het station aangekomen. Grace zat al buiten te wachten. Het was midden op de dag en het station was uitgestorven, verwaarloosd. De hangende plantenmanden zaten vol met bruin mos en dorre stelen en in de goot lagen een paar lege colablikjes. Anne bedacht met een boosaardige grijns wat ze graag met jongelui zou doen die rotzooi op straat gooiden. Grace moest hebben beseft dat dit de auto was die haar kwam ophalen, maar toen ze vlak voor haar stilstond, maakte ze geen aanstalten om overeind te komen van de smeedijzeren bank waarop ze zat. Ze ging kennelijk helemaal op in haar eigen wereldje. Of misschien was ze gewoon te besodemieterd om in beweging te komen. Anne moest het raampje opendraaien en haar toeschreeuwen: ‘Zit je op Peter Kemp te wachten?’

Toen ontvouwde Grace haar lange benen en stond ze op, zonder zich te haasten, hoewel Anne met draaiende motor stond te wachten. Anne stapte uit om de kofferbak open te maken en Grace liet haar rugzak daarin vallen, zonder een woord; zelfs een lachje kon er niet vanaf.

Krijg dan maar de klere, dacht Anne, maar beleefdheid was voor haar een vanzelfsprekendheid, net als het peperdure parfum dat ze van haar minnaar kreeg. Ze stak haar hand uit over de versnellingspook.

‘Anne Preece,’ zei ze. ‘Ik ben de botaniste.’

‘Grace Fulwell, zoogdieren.’

‘Toch niet een van dé Fulwells?’ zei Anne gekscherend, want als Grace een van dé Fulwells was, zou ze beslist eerder van haar hebben gehoord. ‘Holme Park Hall? Heer over al wat zij kunnen overzien?’

Grace bezag Anne met een eigenaardige blik.

Verwaande trut, dacht Anne. Ze had al eerder te maken gehad met mensen als Grace. Ze haalden een paar academische titels en dachten dan dat ze beter waren dan andere mensen. Dat ze op z’n minst tien jaar jonger was dan Anne maakte het er niet beter op, maar ze zei toch maar: ‘Sorry. Hoe zou je die ook moeten kennen als je niet hier uit de buurt komt? De Fulwells zijn in dit deel van het graafschap een begrip. Het grootste deel van de hooglanden is van hen. Zo lijkt het althans.’

‘O, ja?’

‘Ja. Het zijn buren van me. Zo ongeveer.’

Grace wendde met een pijnlijke blik in haar ogen haar hoofd af. ‘O,’ zei ze, ‘op die manier.’

‘Heb je een lange reis achter de rug?’

‘Gaat wel. Vanaf Newcastle. Vandaag dan.’ Waarmee Anne niets wijzer werd.

Op weg naar Baikie’s probeerde Anne het gesprek gaande te houden, maar na een paar eenlettergrepige antwoorden deed ook zij er verder het zwijgen toe. Toen ze door Langholme reden, ging Grace opeens rechtop zitten. Het was alsof ze wakker schrok uit een diepe slaap.

‘Waar zijn we hier?’ vroeg ze.

Anne vertelde het haar.

‘Langholme?’ Ze klonk verbijsterd, ongelovig.

‘Ik zou het moeten weten, ik woon hier al tien jaar.’

‘Het is alleen maar anders dan ik had verwacht,’ mompelde Grace.

‘Wat had je dan verwacht?’

‘Dat weet ik niet, iets met een voornamere uitstraling, denk ik. Iets mooiers.’

‘Jezus, hoe kom je daar nou bij?’

Er was niets moois aan Langholme. De rijtjeshuizen waren langs een heuvelrug gebouwd en stonden bloot aan de noordenwind. De verflaag op de pui van de pub was zo verschoten dat het leek of hij was gezandstraald, en de benzinepompen voor de garage waren verroest. Het plaatsje had meer gemeen met de meer zuidelijk gelegen mijndorpjes in de buurt van Durham dan met de illustraties in de toeristenbrochure van Northumbria waarin reclame wordt gemaakt voor het National Park.

‘Nou ja,’ vervolgde Anne, die opeens besefte dat haar opmerking wel erg afwerend moest hebben geklonken, ‘we wonen natuurlijk niet echt in het dorp.’

En toen ze langs de kerk waren gereden en een strook bebost terrein hadden bereikt dat tenminste enige beschutting bood, maakte Anne Grace attent op de Priory. Haar echtelijke thuis. De lichte stenen muren van het huis gingen voor een deel schuil achter de bomen, maar ze hadden een prachtig uitzicht op de tuin. Anne ging iets langzamer rijden opdat Grace deze kon bewonderen. Zelfs zo vroeg in het seizoen lag de tuin er al schitterend bij. Daar waren tien jaar van hard werken aan voorafgegaan, maar het was de moeite waard geweest. Grace keek amper op.

‘En Holme Park Hall?’ vroeg ze. ‘Waar ligt dat?’

Anne negeerde haar. Ze moest zich hoe dan ook concentreren op de landkaart. Ze was nooit eerder naar Black Law gereden. De andere projecten die ze voor Peter Kemp had uitgevoerd, waren aan de kust geweest, en Jeremy en zij gingen eigenlijk niet om met Bella en Dougie Furness. Ze verkeerden niet in dezelfde kringen. Als Bella en Dougie al in een kring verkeerden. In het dorp hadden ze de naam dat ze erg op zichzelf waren. Bella was geen lid van de plattelandsvrouwenvereniging en ze ging nooit naar de kerk. Maar nu ze erover nadacht, herinnerde Anne zich dat ze Bella daar één keer had gezien.

Ze had opeens het beeld voor ogen van de vrouw die weggedoken in een wijde jas op de achterste bank zat, de wolkjes stoom die ze uitademde, de tranen die over haar wangen stroomden. Dat moest afgelopen kerst zijn geweest, het kerstspel van de kinderen, het gebruikelijke werk: het vals gezongen Stille Nacht, Maria en Jozef die met ontzag vervuld naar de ster keken, engeltjes die voortdurend zaten te duwen en te trekken aan hun glittervleugels en van aluminiumfolie gefabriceerde stralenkransjes. Het was elke keer weer een tranentrekker. Zelfs Anne vroeg zich met Kerstmis soms af of het geen gemis was dat ze zelf geen kinderen had.

Waarschijnlijk had die gedachte toen ook Bella aangegrepen. Tegen de tijd dat ze Dougie had leren kennen, was ze eigenlijk al te oud geweest om nog aan kinderen te denken. Al was dat in Annes ogen nog geen reden geweest om zich in het openbaar zo te laten gaan; en tot haar opluchting was Bella meteen na de dienst weggegaan zodat ze niet met haar had hoeven praten.

Toen ze bij Baikie’s aankwamen, verdween Bella even uit Annes gedachten. Rachael wachtte op hen. Ze zag er doodmoe uit, alsof ze in haar kleren had geslapen. Het vuur was nog niet aangestoken, dus was er geen warm water. Anne nam haar geïrriteerd op.

‘God,’ zei ze. ‘Wat is er met jou? Je ziet er niet uit, zeg!’

Rachael veegde als een snotterig kind met haar mouw over haar gezicht en vertelde dat Bella dood was, dat ze zich in de schuur had verhangen. Het beeld van de vrouw van middelbare leeftijd in tranen achter in de kerk verscheen weer voor Annes geestesoog, en hoewel ze doorgaans niet bijgelovig was, vond ze het wel een beetje griezelig dat ze haar op weg naar de boerderij zo duidelijk voor zich had gezien; ze vroeg zich af of dit misschien een soort voorgevoel was geweest.

De volgende dag maakte ze geen haast om naar buiten te gaan. Ze was ’s morgens nooit op haar best, en met planten was het anders dan met vogels: planten bleven op hun stek.

Ze had de kaarten bestudeerd en grofweg bekeken waar ze haar onderzoeksblokken van elk zo’n honderd meter in het vierkant zou uitzetten. Peter had gezorgd voor satellietfoto’s van het landschap, maar die moesten gestaafd worden met onderzoek op de grond. Ze was dol op werk als dit; het idee om zich over de grond te buigen, alle feiten op een rijtje te zetten, trok haar bijzonder aan.

Ze liep snel over het erf van de boerderij – ze was niet gauw bang, maar ze wilde niet herinnerd worden aan Bella die in de schuur aan een touw bungelde – en volgde het pad omhoog naar de doorwaadbare plaats. Op de beschutte glooiing naast het pad stonden sleutelbloemen in knop en viooltjes, en de zon voelde warm aan op haar rug. Vanaf de top van een heuveltje had ze uitzicht over de oude loodmijn en ze bedacht dat het misschien wel interessant zou zijn om een van haar blokken daar vlakbij uit te zetten. Op oude kalkgrond kwam dikwijls een totaal andersoortige vegetatie tot ontwikkeling. Maar vandaag wilde ze het lapje veengrond opzoeken dat Peter op de kaart had aangemerkt als de moeite waard om te onderzoeken. Ze verliet het pad en liep de open helling op. Ze was uit het zicht van de weg, de mijn en de boerderij. Ze zag zelfs geen hoogspanningsmasten.

Er was een specifieke methode ontwikkeld om het onderzoek uit te voeren. Het was geen kwestie van lukraak over de heuvel ronddwalen met een troffel en een vergrootglas.

Toen ze nog maar pas met dit werk was begonnen, had ze de regels onzinnig gevonden; ze had gevonden dat die waren opgesteld door machtswellustige wetenschappers die de amateurs op afstand wilden houden. Maar toen had Peter haar naar een cursus gestuurd over classificatie van inlandse gewassen en was ze het nut ervan gaan inzien.

Elk onderzoeksterrein was honderd meter in het vierkant met daarbinnen vijf houten ramen, elk twee meter in het vierkant, die kwadraten werden genoemd, op willekeurige plekken. De willekeurige verdeling werd verkregen door in het midden van het grote vierkant te gaan staan en het eerste kwadraat van je af te slingeren. Dan liep je naar de plek waar dat was geland en wierp je het tweede, en zo verder tot ze alle vijf op de grond lagen. Het gebied binnen de vijf ramen was het te onderzoeken terrein.

Vandaag zou ze geen tijd hebben om meer te doen dan het grote vierkant uitzetten met de paaltjes die ze in haar rugzak bij zich had, maar het gedetailleerde onderzoek, het identificeren van de planten binnen de ramen, het optekenen van de aantallen, was wat ze het liefst deed. Ze vond het heerlijk om tussen het veenmos te zoeken naar planten als veenbessen, wilde rozemarijn, beenbreek, met haar neus zo dicht bij de grond dat ze het veen kon ruiken en de insecten over haar vingers voelde lopen. En altijd hoopte ze iets ongewoons te vinden, iets wat ze niet meteen zou kunnen identificeren. Iets wat die pedante wetenschappers op hun plaats zou zetten.

Niet dat daar bij dit project veel kans op was, dacht ze terwijl ze een paaltje de grond in drukte en er met haar hele gewicht op leunde, om te voorkomen dat het bij de eerste de beste storm zou wegwaaien. Dit stukje laagveen zou interessant kunnen zijn, maar op grond van wat ze wist over de rest van het terrein achtte ze belangrijke ontdekkingen zo goed als uitgesloten. De meeste moerasgebieden waren allang gedraineerd en het land dat bij de Holme Park-pachters in gebruik was, was door schapen en konijnen zo kort afgegraasd dat het even glad en groen was als een biljartlaken. Ze wist eigenlijk niet waarom er een botanisch specialist nodig was voor het project. Maar misschien was dat Godfrey Waughs idee geweest.

Toen ze haar rug rechtte, werd het dal vervuld met geraas toen een gevechtsvliegtuig van de raf-basis in Boulmer gierend overvloog, zo laag dat ze het idee had dat ze, als ze haar hand had opgestoken, de lucht over haar vingertoppen had voelen bewegen.

Lokvogel
titlepage.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_000.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_001.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_002.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_003.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_004.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_005.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_006.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_007.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_008.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_009.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_010.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_011.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_012.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_013.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_014.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_015.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_016.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_017.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_018.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_019.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_020.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_021.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_022.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_023.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_024.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_025.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_026.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_027.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_028.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_029.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_030.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_031.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_032.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_033.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_034.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_035.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_036.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_037.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_038.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_039.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_040.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_041.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_042.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_043.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_044.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_045.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_046.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_047.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_048.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_049.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_050.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_051.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_052.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_053.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_054.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_055.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_056.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_057.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_058.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_059.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_060.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_061.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_062.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_063.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_064.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_065.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_066.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_067.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_068.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_069.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_070.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_071.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_072.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_073.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_074.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_075.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_076.xhtml